CTRL + R
Afstudeerscriptie | Jacklyn Cornelisse

CTRL + R

Afstudeerscriptie

CTRL + R is een afstudeerscriptie gegoten in de vorm van een digitaal essay. Jij, als lezer, hebt de mogelijkheid om ongehinderd mijn essay te lezen wat de rode draad vormt van mijn onderzoek. Door deze tekst zitten echter eigen beeldexperimenten en inspiratiebronnen verweven die te bekijken zijn door op de iconen links van de tekst te klikken. De voetnoten zijn rechts van de tekst te vinden. De uitschuif-teksten verschaffen inzicht in het beeldende proces dat ik doorliep tijdens mijn afstudeerjaar aan AKV | St. Joost.

Uit deze experimenten is het project RATE / COMMENT / SUBSCRIBE ontstaan, wat te zien is tijdens de afstudeerexpositie SHIFT van 28 juni t/m 2 juli op de academie in Breda.

We worden geroemd om ons ogenschijnlijke talent tot multitasking maar zijn berucht om ons narcisme. We hebben moeite met hoofdrekenen en lijstjes als aus, bei, mit, nach, seit, von, zu kunnen we niet uit ons hoofd opdreunen. Deze binnen luttele seconden op het internet opzoeken echter wel. Mijn generatie kent vele benamingen waarvan Generatie Einstein , Millennials en de Patatgeneratie nog de mooiste zijn. We leven in een prikkelcultuur. Continue wordt onze aandacht naar ontelbare dingen toegetrokken. De tv, de krant, de radio, het internet, onze telefoon; de prikkels die het tezamen oplevert zijn overweldigend. Onmogelijk om allemaal in ons op te nemen, maar tegelijkertijd onmogelijk om geheel te negeren. Zoals cultuurfilosoof Abram de Swaan al treffend opmerkte: ‘Het wordt nooit meer stil en het wordt nooit meer donker.’ Ieder moment wat vroeger een rustpunt was in onze dag, een treinreis, het wachten op de bus of zelfs een wc-bezoek zijn overspoeld met notificaties en push-berichten van mailtjes, sms’jes en apps. De stap naar ‘pushy’ is bijna te makkelijk om te maken in deze context. Door deze constante externe prikkels verliezen we het vermogen om ons te focussen op hetgeen wat daadwerkelijk voor ons staat. Hoe zacht het bliepje ook mag zijn, het heeft de belofte van iets nieuws in zich. Iets beters dan wat we al hebben.

NOAH (2013) - Patrick Cederberg & Walter Woodman

Noah is een perfect voorbeeld van hoe tegenwoordig wordt omgegaan met alle media. In deze korte film wordt ons een kijkje gegund in het digitale leven van de hoofdpersoon: Noah. We switchen met hem mee tussen ontelbare vensters in zijn computer en telefoon. Ondanks dat we niet buiten het venster van zijn laptop kunnen kijken, vangen we toch een glimp op van zijn echte leven wat volledig verweven is met zijn activiteiten online. Hetgeen wat mij voornamelijk aantrekt in deze korte film zijn de ontelbare details die immense herkenbaarheid oproepen bij mij. Ook ik selecteer tekst als ik hem lees. En ja, ook ik red mezelf vaak uit intelligente vragen door snel een nog intelligenter antwoord te googlen. Wat Noah subtiel toont is hoe hectisch we ons online gedragen. We proberen vier dingen tegelijkertijd te doen waardoor alles net niet lijkt te lukken. Dit valt me nauwelijks op als ik zelf zo bezig ben, maar door de keuzes van een ander te moeten ondergaan, wordt de hectiek pas echt duidelijk.

Natuurlijk zijn we hieraan gewend geraakt. Een leven zonder massamedia kan ik me nauwelijks nog voorstellen en waarom zou ik? Ik heb er geen hekel aan. Verre van. Als kind van de 21e eeuw ben ik opgevoed met de vele gemakken van het digitale leven en eenzaamheid lijkt ondenkbaar als al je vrienden in je broekzak passen... De manier waarop we omgaan met al deze media, is echter fout. Neem bijvoorbeeld de televisie. Waar deze in de jaren ’60 vaak het middelpunt van het huishouden was, is dit meer en meer een individuele bezigheid geworden. Terwijl men vroeger met het hele gezin of vriendengroep naar een programma keek (sterker nog, je bleef er voor thuis), rent nu de gemiddelde tiener na het eten naar boven om daar, in gezelschap van laptop of smartphone, lusteloos realityseries te bekijken. Dit laatste is misschien ietwat generaliserend, maar het is een feit dat er twee soorten van kijken zijn ontstaan. Waar ik vroeger iedere dag om zeven uur voor de tv klaar zat om met mijn moeder Onderweg Naar Morgen te kijken, ga ik nu zitten om ‘gewoon televisie te kijken’. In plaats van een bepaald programma van begin tot eind te kijken, kijken we nu simpelweg naar een stroom waarin we slechts korte, fragmentarische indrukken krijgen van de programma’s. Het grote verschil tussen toen en nu is de afstandsbediening. Nu het vermoeiende aspect van opstaan, naar de tv lopen en op een knop drukken is geëlimineerd, is de stap om verder te zappen veel kleiner geworden. De komst van kabeltv maakte het ons nog gemakkelijker. De keuze in kanalen vergrootte immens, waardoor het niet erg werd als er reclame kwam. Zonder enige inspanning zappen we verder en kunnen op die manier nog net dat laatste stukje voetbal kijken, een paar minuten van een detective meepikken en zijn we net op tijd bij een talkshow waarvan de reclame toevallig net over is. Als we ons na enkele minuten herinneren wat we precies aan het kijken waren, besluiten we dat we toch al teveel hebben gemist en zappen lekker verder. Dit constante gehop tussen zenders zorgt ervoor dat de narratieve lijn van de aparte verhalen volledig verstoord raakt. Door slechts korte fragmenten te zien, missen we de rode draad die van belang is om het verhaal te begrijpen.

"De consument hecht niet langer belang aan bezit, maar aan toegang."

De stap die volgde, was alle films en tv-series on demand te maken. Wat iTunes en Spotify deden met de muziekwereld, deed een onlinevideodienst als Netflix, met televisieland. Tegenwoordig wil de kijker niet meer op de bank zitten wachten tot de volgende aflevering van Game of Thrones. Nee, we kijken de gehele serie op onze laptop wanneer ons dat uitkomt. Zónder reclame. De reden waarom bedrijven als Netflix en Spotify zo goed floreren in de huidige maatschappij, is omdat ze door hebben dat de consument niet langer belang hecht aan bezit, maar aan toegang. We krijgen meer keus, tegen een lagere prijs zonder in te hoeven leveren op kwaliteit. Op ieder moment van de dag, kunnen we direct vinden wat we zoeken en tegelijkertijd komen we dingen tegen waarvan we niet eens wisten dat we het zochten. Netflix, dat begon als online dvd-verhuurbedrijf, weet uit ervaring precies welke series het beste bekeken worden en kan via algoritmes en eerdere keuzes, berekenen wat er aansluit bij jouw persoonlijke smaak. Maar waar het echte succes van Netflix in zit, is dat ze weten hoe de consument de serie wilt zien. We willen allang niet meer aflevering voor aflevering zien. Nee, de nieuwe manier van kijken is binge viewing geworden. Op z’n minst kijken we er drie achter elkaar. En op een luie zondag, kunnen we gemakkelijk een compleet seizoen uitkijken 6. Daarom zet Netflix nieuwe seizoenen altijd in één keer online. Het aanbod op de Nederlandse Netflix is helaas nog redelijk beperkt in vergelijking tot de Amerikaanse versie. Maar alles wat niet te vinden is op Netflix, wordt naar hartelust gedownload via internet.

Het lijkt een logisch gevolg dat bioscopen leeglopen als dezelfde film thuis gratis en vaak eerder bekeken kan worden. Om dit tegen te gaan vernieuwen bioscopen zich constant. Één van de laatste voorbeelden is het bioscopencomplex in Kerkrade. Hier zijn er naast de inmiddels bekende 3D-films, bewegende stoelen en speakers in het plafond zodat het een compleet nieuwe ervaring wordt waardoor de kijker nog meer in de film wordt getrokken7. Persoonlijk vind ik het allemaal ietwat overdreven. Wel blijf ik een romanticus die wekenlang kan uitkijken naar de première van een film en alle neigingen onderdrukt om deze alvast te downloaden. De opbouwende spanning en daarna de ultieme verlossing om eindelijk in een donkere, volle maar doodstille zaal overdonderd te worden door een film. De gezamenlijke ervaring heeft iets magisch en is iets waar ik met liefde geld voor wil neer tellen. Dezelfde film enkele weken eerder downloaden en in slechte kwaliteit met foutieve ondertiteling kijken op een veel te klein scherm kan ik omschrijven in één simpel woord: anticlimax.

TV-land staat echter ook niet stil. Iets nieuws is Arrested Development, een serie die geproduceerd is in opdracht van Netflix. Deze serie kan in compleet willekeurige volgorde worden bekeken, omdat het verhaal constant vanuit een ander perspectief wordt verteld. Een zelfde soort trend begint zichtbaar te worden in de game-wereld. In games als Heavy Rain en Beyond: Two Souls, heeft de speler meerdere perspectieven om uit te kiezen. Beide zijn ontworpen door het Franse bedrijf Quantic Dream, een pionier in de interactieve game-wereld. In Beyond: Two Souls speel je het spel vanuit Jodie, de hoofdpersoon, maar ook vanuit Aiden, een paranormale entiteit die aan Jodie is verbonden sinds haar jeugd. De keuzes die je maakt vanuit Jodie’s perspectief, veranderen het spel ook in Aidens realiteit. Hierdoor kan, tot op zekere hoogte, de speler zelf bepalen welke kant het verhaal op gaat en keer op keer de verhaallijn aanpassen.

Media zijn onder te verdelen in passief en actief. Veel traditionele media, zoals boek of film, zijn passief. De kijker kan niks veranderen aan de verhaallijn die centraal staat en ondergaat het simpelweg. Bij nieuwere mediavormen zoals videogames en dergelijke, draait juist alles om de ‘user-input’. De kijker heeft dus een actieve rol en kan het spel volledig beïnvloeden. Om te voorkomen dat televisie bij de traditionele en misschien ouderwetse media wordt ingedeeld, bedenken producenten manieren om de tv-ervaring meer interactief te maken. Zo kan je bij de RTL-quiz Weet ik veel live meespelen via smartphone of tablet en wint iedere week de beste kijker zelfs een iPad of laptop. Maar ook bij meerdere talentenshows kan het publiek thuis beslissen wie er door gaat naar de volgende ronde. Deze methodes zorgen ervoor dat de kijker meer betrokken raakt bij het programma maar slechts in beperkte mate.

TV-Buddah (1974) - Nam June Paik

In zijn project TV-Buddah reflecteert Paik op het medium televisie. Hij richt zijn camera op een 18e eeuws Boeddahbeeld. Dit beeld wordt gestuurd naar een tv die recht tegenover het Boeddahbeeld staat opgesteld. Hierdoor ontstaat er een soort gesloten circuit dat soms wordt doorbroken doordat de kijker achter de boeddah gaat staan en dus ook te zien is op het televisiescherm. Het feit dat de kijker onderdeel kan worden van het werk roept vele vragen op. Blijft het bij een passief toekijken? Of wordt echte participatie mogelijk? Daarnaast zitten er in het werk meerdere contrasten zoals Oost-West en technologie-spiritualiteit. Deze tegenstellingen zijn dingen waar Paik zelf mee worstelt.

Waar we volgens game theoreticus Gordon Calleja naar toe gaan is een steeds grotere mate van interactie met het publiek9. Hij onderzocht of story telling in games gecombineerd of zelfs vervangen kon worden door story generation. Dit houdt in dat het verhaal van de game volledig afhangt van de keuzes van de speler en dus keer op keer een nieuw verhaal wordt gespeeld, zoals bij Beyond: Two Souls. Door dit principe toe te passen op televisie, zou het vaste narratief vervangen kunnen worden door een variabel narratief, dat gekozen wordt door het publiek waardoor iedereen een individuele en unieke ervaring krijgt10. Persoonlijk ben ik geen groot voorstander van complete individualisering wat betreft het tv kijken. Een groot onderdeel van het plezier dat men beleeft door tv te kijken, zit in het feit dat je deze ervaring kan delen met anderen. Vriendinnen kunnen met gemak urenlang bespreken wat er de vorige avond is gebeurd in GTST. Zou Ludo dan toch niet dood zijn? Gaat Laura weer vreemd? Ondanks dat we het programma niet samen hoeven te kijken, zorgt de voor- en napret voor sociale binding. Dit zou volledig verdwijnen als iedereen zijn eigen verhaal zou kiezen. Daarnaast zorgen al die nieuwe keuzes, voor een gevoel van valse vrijheid. De kijker zou slechts kunnen kiezen uit de mogelijkheden die eerder vóór hem zijn bedacht. De echte macht blijft dus in de handen van de programmamakers.

DE SKYPE-VIERLING

Voor mijn afstudeerproject onderzocht ik hoe dit prikkelbombardement een rol speelde in mijn leven. Hiervoor was ik op zoek naar alle geluiden die we op een dag van onze telefoon en computer krijgen. Tijdens deze zoektocht kwamen er veel Skypegeluiden langs en ik bedacht me dat ik nog niet had geëxperimenteerd met deze manier van communiceren die juist zo typerend is voor onze tijd. Ik kan vanaf mijn bureaustoel de hele wereld bereiken. Mijn familie in Zuid-Afrika en vriendin in Zwitserland lijken allemaal zo dichtbij, maar tegelijkertijd zo ver weg op dat schokkerige beeldscherm. Tijdens één van die gesprekken viel me iets op. Terwijl ik met een vriendin aan het praten was, kon ik die kleine versie van mezelf in de rechter onderhoek niet negeren. Ik bleef ernaar staren en veranderde automatisch mijn houding. Soms raakte ik zelfs de draad van het gesprek kwijt, omdat ik zo gefixeerd was op mijn digitale weerspiegeling.

Dit narcistische trekje verbaasde me en ik besloot dit tot in het extreme te trekken door met mezelf te gaan Skypen. Het beeld dat eruit rolt is zowel mooi als bizar. Waar ik nog winst kan behalen is door beter te kaderen en alles strakker op te stellen. Daarnaast weet ik niet of het apple tekentje zo duidelijk in beeld moet zijn. Waar ik wel blij mee ben, is de (onbedoelde) humor die in het filmpje verwerkt zit. Voornamelijk het moment waarop ik met één klein vingertje mijn computer bestuur, heeft bijna iets schattigs in zich. Ik bespot mijn narcisme en hoop dat de kijker hierdoor reflecteert op zijn eigen gedrag. Humor blijkt vaak een goede manier om een boodschap over te brengen en nu we in een tijd leven waarin iedereen zichzelf te serieus lijkt te nemen, helpt wat zelfspot om alles weer in het juiste perspectief te zetten.

MEDIA MULTITASKING

We hebben echter nog een lange weg te gaan voordat story generation geïntegreerd is in onze tv-programma’s. Tot die tijd zijn we aangewezen op het tweede scherm. Wat, afgezien van het feit dat we ons meer verbonden kunnen voelen met het programma, in feite niets meer is dan een extra prikkel. Onze concentratie wordt versnipperd terwijl deze een balans probeert te vinden tussen het ene en het andere scherm.

PRIKKELS RONDOM

Na veel schrijven en experimenteren werd me duidelijk dat de kern van mijn project zit in het overladen gevoel dat alle apparaten oproepen. Het idee dat je concentratie naar alle kanten wordt getrokken zonder dat jij dat wilt. Ik besefte dat het niet voldoende zou zijn als de kijker zou begrijpen wat ik bedoelde. Ik wilde dat ze het zouden ervaren. Het voelde onmogelijk om dit te bereiken door middel van filmpjes of foto’s. Op die manier zou er altijd een laag tussen zitten. Door deze weg te halen en de kijker midden in het werk te zetten, zou er geen ruimte meer zijn om na te denken. Ze zouden de prikkels ondergaan en pas later, wanneer alles weer weg stierf, na kunnen denken over de ervaring die ze net hadden gehad.

In dit experiment besloot ik ze letterlijk te omringen met beeld en geluid. Maar ik zie nu in dat het nog niet voldoende was. Ik gebruikte veel verschillende media, maar het was niet genoeg. Om het echt over te laten komen, moest de ervaring overweldigender en dringender zijn. Er was hier nog teveel ruimte om de prikkels langs je heen te laten gaan, terwijl ik juist wilde dat ze zichzelf volledig zouden onderdompelen. De audio die ik gebruikte was wel irritant. Maar ook hier twijfelde ik over. Ik was er nog niet over uit hoe negatief ik de ervaring moest maken. Ik had erg veel last van alle prikkels zelf, dus mijn blik was redelijk afkeurend richting het gehele onderwerp. Maar of ik deze visie ook moest opdringen aan mijn kijker, wist ik niet.

Dit fenomeen is onderzocht door Adam Brasel en James Gips, twee onderzoekers die zich voornamelijk verdiepen in visuele marketing en media perceptie. De uitkomst was niet verrassend: multitasking verstoort de concentratie. Wat echter wel verbazingwekkend was, is de mate waarin de concentratie werd verstoord. In het onderzoek werd er een half uur lang de oogbewegingen van de vrijwilligers geregistreerd terwijl ze over zowel televisie als computer beschikten. Naderhand werd hen gevraagd hoe vaak ze voor hun gevoel geswitcht hadden tussen de beeldschermen. Zij meenden ongeveer 15 keer over te stappen. In werkelijkheid hadden ze 120 keer gewisseld tussen de beeldschermen. De gemiddelde blik duurde zo’n 1,5 seconde11.

FILTERINGSMUUR

Voor mijn afstuderen lees ik ongelofelijk veel. Al mijn informatie print ik uit. Daarnaast highlight ik de belangrijkste zinnen. Gedeeltelijk zodat ik ze later terug kan vinden, gedeeltelijk om mezelf bij de les te houden tijdens het lezen. Op deze muur zie je alle theoretische informatie die ik heb gelezen. Ik zuig me vol met informatie maar tegelijkertijd merk ik dat hier slechts een fractie van nodig is. In deze muur is een soort natuurlijke filtering ontstaan doordat ik slechts ’t belangrijkste heb gemarkeerd. Meer heb je niet nodig. Wat er op de papiertjes staat is onleesbaar voor de kijker, maar eerlijk gezegd zou ik ook niet meer weten wat er staat. Doordat ik zoveel wil weten, zoveel wil onthouden, ontgaat mij een groot deel van de informatie.

Wat mijn voornamelijk aantrekt in dit experiment, is de simpliciteit. Al het overbodige is weggehaald. Slechts de kern wordt weergegeven. Daarnaast vind ik de kleurcombinatie van het licht roze met veel wit, goed werken. Het zorgt voor een paradox. In de rust en ordening die het uitstraalt, zit juist de chaos van mijn project verstopt. De presentatievorm is echter nog niet ideaal. Een volgende stap zou kunnen zijn dat ik en soort raster bouw waarachter heel zacht licht schijnt waardoor de letters enigszins te zien zijn, maar onleesbaar blijven omdat ze achterstevoren staan.

In 2009 gebruikte 59% van de Amerikanen hun laptop terwijl ze tv zaten te kijken. Dit was een toename van 35% ten opzichte van het vorige jaar. ‘Media multitasking’ begint meer en meer de norm te worden. Vaak wordt aangenomen dat jongere generaties, die zijn opgegroeid met het internet en de multitasking die hierbij komt kijken, automatisch hier beter in zijn dan de oudere generaties die het later hebben moeten aanleren. Daarom wordt in vele onderzoeken bekeken of de leeftijd van de gebruiker van invloed is op hoe goed ze kunnen multitasken. Wat blijkt is dat ondanks dat jongere generaties de voorkeur geven aan multitasken, ze er niet direct beter in zijn. Dit komt omdat hun hersenen grotendeels hetzelfde zijn als die van voorgaande generaties13. Wat overigens essentieel is om te weten bij deze onderzoeken is dat het woord concentratie wordt gebruikt in de meest klassieke zin van het woord. Concentratie wordt gezien als het rustige, diepe denken dat vergeleken kan worden met het lezen van een boek in stilte. Het volledig focussen op één ding waarbij alle invloeden van buitenaf worden genegeerd. Enkele filosofen als Walter Benjamin zijn er echter van overtuigd dat concentratie ook gevonden kan worden in verstrooiing. Om dit te begrijpen vergelijkt hij de ervaring van een schilderij met het bekijken van een film. Een schilderij nodigt uit tot contemplatie. Je wordt overgelaten aan je eigen associaties en iedereen ervaart hierdoor iets anders. Een film daarentegen is vaak hard en snel. Zodra je hersenen begrijpen wat er te zien is, is het alweer veranderd. De stroom kan niet gestopt worden. In principe wordt je meegevoerd op een golf van beelden waar je zelf niks aan kan veranderen. ‘De ervaring van verstrooidheid’, en hierbij quote ik postdocteraal onderzoeker Stéphane Symons, ‘is met andere woorden een ervaring van verandering als dusdanig, van iets dat niet gelijk blijft aan of samenvalt met zichzelf.’ Verstrooiing is niet het tegenovergestelde van concentratie. Slechts een andere manier van aandacht. Verstrooiing bestaat uit een soort aandacht die bestaat uit een verhoogde opmerkzaamheid voor de omgeving zelf. Ook bij een film heeft de kijker eigen associaties, net als bij het ervaren van een schilderij. Bij het bekijken van een film worden deze associaties echter voortdurend onderbroken door de constante variatie en plotselinge verandering van beelden. Dit is volgens Benjamin het schokeffect van de film dat opgevangen moet worden door de verhoogde opmerkzaamheid die de verstrooiing oproept15. Het is een ervaring die in plaats van uitgaat van hetgeen dat we al kennen, juist openstaat voor het nieuwe. Terwijl we kijken worden alle beelden in ons hoofd gefilterd. We reflecteren en monteren terwijl we op de rand van onze stoel juist omdat we niet weten wat er komen gaat en dat wanneer dit nieuwe komt, het in een flits alweer voorbij zal zijn. Benjamin ziet het verstrooid reageren op een film dan ook als een ‘oefeninstrument’. Een manier om de aandacht aan te scherpen voor verandering in onze onmiddellijke waarneembare realiteit.

"Elke handeling laat een permanente afdruk achter op het zenuwstelsel."

Het navigeren op het web vereist een heftige vorm van mentale multitasking. Bij iedere omschakeling die je maakt (tussen verschillende vensters binnen de computer of tussen verschillende media als computer en tv), moeten onze hersenen zich telkens heroriënteren. Schrijfster en columnist Maggie Jackson zegt in haar boek Distracted hierover: ‘De hersenen hebben tijd nodig om van doel te veranderen, om zich de regels te herinneren die nodig zijn voor de nieuwe taak en om die vorige taak, die nog doorloopt, te blokkeren.’ Dit zorgt voor een flinke cognitieve belasting die ervoor kan zorgen dat we belangrijke informatie over het hoofd zien of verkeerd interpreteren. Om dit te onderbouwen werd er een simpel experiment uitgevoerd die Nicholas Carr, een Amerikaanse schrijver, in zijn boek Het Ondiepe uitlegt. Een groep proefpersonen kreeg een reeks figuren te zien en moesten op basis van wat ze zagen een voorspelling doen. Terwijl ze deze taak uitvoerden kregen ze een koptelefoon waar piepjes uit te horen waren. In het eerste deel van de test hoefden ze hier niet op te letten. In het tweede gedeelte van de test moesten ze naast de figuren waar te nemen, ook de piepjes tellen die ze hoorden. Na afloop van beide experimenten werd hen gevraagd een test in te vullen die een interpretatie vereisten van wat ze hadden gedaan. De voorspellingen werden in beide tests even goed uitgevoerd. Maar bij de multitasking-test bleken ze veel meer moeite te hebben om conclusies te trekken uit hun ervaringen. Het switchen van de ene taak naar de andere zorgde ervoor dat ze cognitief overbelast werden. Ze konden de taak verrichten maar begrepen de betekenis ervan niet17. In dit experiment hadden de proefpersonen slechts twee taken om te verrichten. De gemiddelde internetter heeft zo’n 5 à 6 schermen waartussen geschakeld moet worden. En dan rekenen we de automatische alerts nog niet eens mee.

N=5 (2013). BURGERNET

Een flinke tijd terug zag ik deze reclame langskomen. Ik was opslag verliefd op het beeld van de tientallen mobieltjes die het kind van alle kanten verlichtte. Ondanks dat de boodschap van de reclame niet overeenkwam met mijn concept, leek het beeld naadloos aan te sluiten. De overdaad aan prikkels werd op zo’n esthetische, rustige manier gebracht dat je je in een soort droomwereld waant. Het staat haaks op het opgejaagde gevoel dat ik heb als ik zoveel SMS’jes binnenkrijg. Het kind is gevangen in de kooi van licht.

In hetzelfde boek spreekt Carr echter over de plasticiteit van de hersenen. Al in 1951 werden er lezingen gegeven door de Britse bioloog J.Z. Young waarin hij beweerde dat het menselijk brein voortdurend van structuur kan veranderen, afhankelijk van de taak die het moet vervullen18. ‘Er is bewijs’, zei Young, ‘dat de cellen van onze hersenen zich letterlijk ontwikkelen en groter worden al naar gelang het gebruik en dat ze wegkwijnen wanneer ze ongebruikt blijven. Het zou daarom best zo kunnen zijn dat elke handeling een permanente afdruk achterlaat op het zenuwweefsel19.’ Sindsdien is dit fenomeen regelmatig onderzocht en wat ik mij afvraag is of, als we onze hersenen lang genoeg trainen, we in staat zullen zijn beter te multitasken. Nu onze levensstijl zo is ingesteld op snelheid en efficiëntie, lijken onze hersenen achter te blijven. Toch is het, als we deze onderzoeken moeten geloven, slechts een kwestie van tijd tot onze hersenen zich een nieuw trucje hebben aangeleerd waardoor we beter om zullen kunnen gaan met de constante prikkels die het internet op ons afvuurt. Velen vergeten echter dat onze omgang met het internet nog in de kinderschoenen staat. Pas in 1993, slechts 21 jaar geleden, kregen de eerste particulieren in Nederland toegang tot het internet. Het feit dat we in zo’n korte tijd er zo gewend aan zijn geraakt dat we niet meer zonder kunnen of willen, heeft het proces van onze hersenen niet versneld. Langzaam maar zeker zullen ze zich echter aanpassen aan onze nieuwe manier van leven.

PONG

Hoe heeft ons digitale leven het communiceren tussen mensen beïnvloed? Praat ik anders met mensen via een SMS dan in het echt? Ik besloot een realistisch gesprek tussen mij en mijn vriend weer te geven. Hierin zitten afkortingen, autocorrects en spelfouten verwerkt. De sms’jes komen binnen op het ritme van PONG, het eerste digitale spelletje. De simpliciteit hierin trok me aan. Tezamen wordt het een soort digitale tenniswedstrijd tussen twee telefoons die langzaam steeds chaotischer wordt. De overdaad aan berichtjes vormt geleidelijk één wolk waarin afzonderlijke sms’jes onleesbaar worden. Ik vraag me echter af of ik PONG wel nodig heb. Het spelletje zelf voegt weinig toe aan de betekenis van het geheel. Maar wanneer ik het weg haal, ben ik het hele ritme kwijt. Daarnaast zijn de smsjes ansich niet sterk genoeg om op zichzelf te kunnen staan. Het moet dus een onderdeel worden van iets groters.

Daarnaast resten me nog enkele vragen: moet de tekst leesbaar blijven? Of verdwijnt deze in zijn veelheid? Is mijn manier van schrijven wel typerend genoeg? Moet ik het overdrijven en me alleen uitdrukken in extreme afkortingen? Ook gaat het nu heel ritmisch heen en weer. Terwijl ik regelmatig zo’n 5 aparte berichtjes stuur naar één iemand zonder eerst op antwoord te wachten. Deze manier is te evenwichtig. Te clean.

HYPERLINKEN

Het internet is eindeloos. Achter iedere site schuilt een volgende. Elke link bevat nog meer links en hier blijf ik regelmatig als een hopeloze vlieg in steken. Zonder er moeite voor te doen kan ik mezelf volledig weg laten glijden in de eindeloze doorklik-mogelijkheden van het internet. Een wonderlijke reis waar ik via een DIY-blog, een interview met een trendwatcher en een failcompilatie uit Rusland uitkom bij het voor mij aanbevolen Youtube-kanaal “JoyceJoin” waarin een vrouw haar frustratie uit de doeken doet over het feit dat GTST geen realityserie blijkt te zijn.

ASSOCIATIEVE INSTALLATIE

Tijdens het experiment waarin ik de kijker temidden van alle chaos zette, was een soort installatievorm ontstaan. Ondanks dat ik nog lang niet tevreden was met de uitkomst, beviel me het idee van een installatie wel. Na wat schetsen kwam ik tot een vorm van een soort bizarre controlekamer. De kijker heeft absoluut geen controle over wat er om hem heen gebeurt. In deze vorm zijn ontelbare beeldschermen te zien. Maar wat er precies te zien moest zijn op de beeldschermen, daar had ik geen idee van. Ik besloot het PONG-gesprek te gebruiken als ruggengraat voor mijn installatie. Door dit als uitgangspunt te gebruiken kon ik langzaam gaan bouwen aan de overige content. In het gesprek praten twee mensen over hele banale dingen. Uit dit gesprek pak ik woorden waarop ik, in een ander beeldscherm, op door associeer. Ze hebben bijvoorbeeld melk nodig. Van melk gaan we naar koeien, naar campina-reclames, koeien bingo, een hond die bingo heet, lassie, kommisar Rex en ga zo maar door. Dit is precies hoe internet voor mijn gevoel werkt. Je start met één uitgangspunt en 20 minuten later zit naar iets te staren wat absoluut niks te maken heeft met het begin. Toch ben je er door puur te associëren uitgekomen en kom je dingen tegen waar je nooit uit jezelf naar zou zijn gaan zoeken.




"Ik kan mezelf volledig laten wegglijden in de eindeloze doorklikmogelijkheden die het internet me aanreikt."

VOYEUR (2010) - HANS-PETER FELDMANN

Feldmann is een conceptueel kunstenaar die zich verwondert maar ook laat inspireren door de huidige beeldcultuur. In zijn boekenreeks Voyeur laat hij een overvloed aan bekende en onbekende foto’s zien. Reclamebeelden, pornografie, filmstills, amateur- en krantenfoto’s wisselen elkaar af zonder duidelijke reden of samenhang. Door in deze beeldenstroom een beeld van een genocide naast een reclamefoto van bikini’s te plaatsen, bevraagt hij de manier waarop wij tegenwoordig beelden consumeren. Toen ik voor het eerst het boek doorbladerde was het eerste wat ik deed de link tussen verschillende beelden zoeken. Ik maakte mijn eigen verhalen maar constant viel er één beeld buiten die voor mijn gevoel er absoluut niet in paste. Ik snapte het niet. Het irriteerde me. Ik vond dat ik het moest begrijpen. Het is fascinerend om te beseffen dat ik in de context van een boek constant de beelden probeer te begrijpen en actief kijk hoe ze samenkomen. Wanneer ik echter in het dagelijks leven eerst in de krant een geïllustreerd artikel lees over een volkerenmoord en daarna op kijk en een bikini-reclame in een bushokje zie hangen, dit volstrekt normaal vind. Voyeur is meerdere malen uitgegeven met de bladzijdes in verschillende volgordes. Hiermee bedoelt Feldmann, naar mijn idee, dat de beeldenstroom constant verandert, maar de grotere betekenis van het werk, hetzelfde blijft.j.


Toegegeven, het is weinig baanbrekend en mijn schoolwerk is geen millimeter gevorderd, maar ik ben er niet slechter van geworden en ongemerkt zit ik vol met nieuwe indrukken. Deze korte, oppervlakkige indrukken zijn volgens Nicholas Carr funest voor mijn hersenen. Om te begrijpen waarom, moeten we terug in de tijd. In de oertijd was het goed om zo veel mogelijk te weten van wat er om je heen gaande was. Dit was een manier om te overleven. Er is zelfs bewijs dat de hersenen dopamine aanmaken (een positieve neurotransmitter in de hersenen die ons het gevoel van genot geven), als een soort beloning wanneer we nieuwe informatie tot ons hadden genomen. Oftewel het feit dat we werden afgeleid, zorgde ervoor dat we in leven bleven en was positief. Tegenwoordig leven we niet meer in constante angst om opgegeten te worden. Onze hersenen denken daarentegen nog steeds dat alle informatie om hen heen opgenomen moet worden. Combineer dit met onze gewoonte om razend snel van site, naar site te klikken en het is niet meer dan normaal dat onze hersenen overbelast raken door alle prikkels20. Toch zijn de eerste veranderingen in onze hersenen al zichtbaar. Zo kunnen de ‘digital natives’ al veel sneller onderscheiden wat wel en niet waardevol is op het internet. We lijken instinctief aan te voelen waar op geklikt moet worden om tot ons doel te komen. Eerdere generaties banen met veel meer moeite een weg door deze prikkels omdat ze nog niet hebben aangeleerd hoofdzaak van bijzaak te onderscheiden.

Waar men vroeger genoot van stilte en focus om na te kunnen denken, bevinden we ons tegenwoordig steeds vaker in een snelle en afgeleide manier van doen. Terwijl dat diepe denken volgens Carr juist ons leermoment is. Op dat moment verplaatsen we informatie van ons kortetermijngeheugen naar ons langetermijngeheugen. Door constant informatie door te sluizen, maken onze hersenen verbindingen tussen de verschillende informatie waardoor we het beter onthouden en gemakkelijker kunnen oproepen. Waar het allemaal op neer komt is aandacht. Als we de controle over onze aandacht kwijt raken of onze aandacht verdelen over meerdere dingen, zullen steeds minder dingen naar ons langetermijngeheugen verplaatst worden21.

In deze huidige tijd kunnen we ons afvragen waarom we nog de moeite zouden moeten nemen om dingen te onthouden als we alle informatie met gemak op kunnen zoeken op internet. Uiteraard stuit dit idee op veel kritiek en ik geef toe, het lijkt te gemakkelijk en te lui om alles maar over te laten aan de computer. Gevaarlijk zelfs, want als de computer zou crashen, zijn we ons geheugen kwijt en worden we onvoorbereid op onszelf terug geworpen. Het mooie is dat deze discussie min of meer velen eeuwen geleden al eens is gevoerd.

Aan het begin van de vierde eeuw voor Christus, toen in Griekenland het geschreven schrift nog in de kinderschoenen stond en relatief omstreden was, schreef Plato de dialoog Phaedrus. In dit verhaal vertelt Phaedrus, de hoofdpersoon over een ontmoeting tussen de Egyptische god Theuth, uitvinder van onder andere het alfabet, en Thamus, een van de koningen van Egypte. Theuth vertelt Thamus over de kunst van het schrijven en vindt dat alle Egyptenaren de geneugten van het schrift zouden moeten kennen. Het zal, volgens hem, het volk van Egypte wijzer maken en hun geheugen verbeteren. Thamus is het niet met hem eens. Hij wijst de god erop dat hij, als uitvinder van het schrift, zijn eigen ontdekking niet juist kan beoordelen.

“Jij koestert genegenheid voor je eigen uitvinding en daarom verklaar je precies het tegenovergestelde van wat er in werkelijkheid gaat gebeuren.’ Stel dat de Egyptenaren zouden leren schrijven, dan zouden ze ten prooi vallen aan vergeetachtigheid. Ze zouden ophouden hun geheugen te trainen, omdat ze vertrouwen op wat geschreven is. Ze zouden zich niet langer dingen herinneren vanuit zichzelf maar door middel van externe tekens. Het geschreven woord is geen recept voor het geheugen, maar een herinneringssteun. Jij biedt je leerlingen geen echte wijsheid maar slechts een schijn daarvan. Zij die voor hun kennis vertrouwen op lezen, lijken veel te weten terwijl ze voor het grootste gedeelte niets weten. Ze zullen niet van wijsheid vervuld zijn maar van een waan van wijsheid22.”

Nu we eeuwen later terugkijken op deze discussie, kunnen we concluderen dat het boek nog wel de onschuldigste manier is van geheugensteuntjes. Door de jaren heen zijn er veel hulpmiddelen (denk aan de rekenmachine) bijgekomen waar de gevestigde generatie kwaad over sprak, maar direct omarmd werden door de nieuwe generatie. Al deze instrumenten stellen ons in staat om zo weinig mogelijk tijd te verspillen aan bijvoorbeeld het uitrekenen van een som, zodat we al onze hersencapaciteit kunnen inzetten om ingewikkeldere vraagstukken te beantwoorden. Het feit dat we ons geheugen enigszins verwaarlozen om verder te komen en onze blik te verwijden, lijkt mij een relatief klein offer. Mijn opa daarentegen vertikt het tot op de dag van vandaag om een rekenmachine te gebruiken en ziet iedereen die dat wel doet als zwak en lui.

"Maar wat is beter? Een beetje weten van alles, of veel over weinig?"

Om terug te komen op mijn eerdere vraag of het zo kwalijk is dat we steeds minder parate kennis hebben, lijkt het me vanzelfsprekend dat we het niet moeten overdrijven. Natuurlijk moeten we beschikken over basiskennis. Maar wat is beter? Een beetje van alles weten of heel veel over weinig? Zes jaar terug, bleek mijn docent Nederlands al een vooruitziende blik te hebben. Bij het merendeel van zijn proefwerken mochten we onze boeken erbij houden. Want was het niet veel belangrijker om te weten wáár we de antwoorden konden vinden in plaats van ze uit ons hoofd op te kunnen dreunen? Mijn klas was uiteraard groot voorstander van dit gehele concept. De directie echter iets minder en onze docent werd dan ook op het matje geroepen.

Ondanks dat ik tot op de dag van vandaag denk dat deze wijze van toetsing beter past bij de manier waarop de samenleving tegenwoordig werkt, is deze manier van toetsing nog niet op alle scholen doorgevoerd. Wel zijn er wel inmiddels veel aanpassingen gedaan in de manier van lesgeven. Zo wordt Twitter bijvoorbeeld gebruikt om te debatteren en heeft onderzoek uitgewezen dat leerlingen inhoud beter onthouden als dit uitgelegd wordt in filmpjes in plaats van alles uit boeken te leren. Dit heeft te maken met ons kortetermijngeheugen. Dit bestaat uit een visueel en een auditief deel. Wanneer er slechts één hiervan wordt gebruikt, bijvoorbeeld een tekst met plaatjes, wordt er flinke druk gezet op het visuele gedeelte en kan er minder onthouden worden. Als het in balans is, bijvoorbeeld een verhaal (auditief) met plaatjes (visueel), kunnen de leerlingen het geleerde veel beter toepassen in een nieuwe situatie. Dit heet het modaliteitseffect. Dit effect is echter alleen van toepassing in een klassituatie. Wanneer de leerling zelf het tempo van het studeren aan kan geven, treedt er geen verschil op omdat er dan teruggelezen kan worden in de tekst.23

OMSLAG IN DENKEN

In het begin van mijn gefrustreerde zoektocht naar een uitgebalanceerd prikkeldieet, was het niet moeilijk om andere doemdenkers te vinden. Alle artikelen die ik las, vertelden mij wat ik wilde horen. Internet vermoordde onze concentratie, de jeugd kon beter typen dan schrijven en nu onze discipline verdwenen was, werd al onze vrije tijd opgeslokt door stompzinnige spelletjes als Angry Birds en Farmville. De omslag kwam pas toen ik een artikel las over Stephane Kaas die in 2013 de Jan Hanlo Essayprijs won met zijn korte film To-do-lijst . Waar ik altijd enigszins gegeneerd raak als ik over mijn internetgebruik praat, stak hij zijn liefde voor het medium niet onder stoelen of banken. Sterker nog, zegt hij, ‘als ik meer vrije tijd had, zou ik de godganse dag op internet surfen.25’ Ondanks dat ik niet vergeten was dat het internet ook positief kon zijn, was het enigszins ondergesneeuwd doordat ik zelf niet meer tegen al die prikkels kon. Maar stiekem, diep in mijn hart, wilde ik net als Stephane Kaas weer een digitale ontdekkingsreiziger worden en alle wonderen van de wereld leren kennen terwijl ik nog in mijn pyjama zit.

TO DO LIJST (2013) - STEPHANE KAAS

Ik geniet van de manier waarop Kaas me wakker schudt. Ergens in mijn opvoeding is er een stemmetje in mijn hoofd gekropen dat me ervan overtuigt dat internet eigenlijk de duivel is. Het verpest de jeugd, maakt ons individualistisch, narcistisch en lui. Maar zoals met alles wat eigenlijk niet mag: je doet het stiekem toch, zij het met een licht schuldgevoel in je achterhoofd. Want je hebt nog zoveel meer te doen, stop toch met surfen... Maar daar kwam Stephane Kaas als een ware Messias het woord van het web verkondigen en mijn irritatie verdween als sneeuw voor de zon.

DANCE PONY DANCE (2013) - THREE

Overige verkondigers van het woord zijn bijvoorbeeld Three, een britse netwerkprovider. Ondanks dat het hen voornamelijk gaat om ‘t feit dat hun klanten meer internet op hun telefoon zullen gebruiken, verweven ze op sublieme wijze het feit dat internet een positieve ervaring is en een onuitputbare bron aan informatie.

Één van de onderdelen uit Kaas’ ode aan het internet waren DIY-filmpjes. YouTube loopt over met de meest uiteenlopende How To...-onderwerpen. Werkelijk alles kan geleerd worden op het internet. Van tips hoe je je handen moet wassen in de ruimte, vuur kan maken met slechts een sinaasappel of je decolleté mooier kan laten lijken tot aan meer nuttigere kennis als tutorials voor PhotoShop, een lezing over ecosystemen of een handleiding om kleding waterdicht te maken. Daarnaast is alle ‘oude kennis’ in enkele secondes op te roepen in plaats van dat ik alles moet opzoeken in stoffige encyclopedieën.

INHOUD INSTALLATIE

In mijn installatie verwerk ik veel bekende internet-fenomenen of -hypes als nek-nominations, GIF’jes, kattenfilmpjes en tutorials, maar ook Facebook, SMS’jes en e-mails. Door zo’n breed scala weer te geven, hoop ik dat de beelden herkenning oproepen, waardoor de kijker zich meer verbonden voelt met het onderwerp. Door de kijker te overladen met impulsen en zijn gewone gedrag tot in het extreme door te trekken, hoop ik een gesprek op gang te brengen. Ook wanneer men het niet eens is met mijn kijk op internet en beeldconsumptie, denkt men in ieder geval wel na over zijn eigen omgang met media. Dat is mijn doel.



Gedurende het proces heb ik nog enkele aanpassingen gedaan aan de vorm van de installatie. Het idee van de controlekamer bleek technisch gezien te ambitieus te zijn. Na nog meer schetsen, kwam ik uit tot een simpelere vorm waarin ik 30 beeldschermen had terug gebracht tot 16. Ook besloot ik dat het PONG-gesprek niet meer visueel aanwezig moest zijn, maar omgevormd moest worden tot een gesprek tussen twee stemmen. Deze stemmen zijn menselijk maar doordat alles van te voren is ingesproken en later aan elkaar geplakt is, komt het heel bizar over.

In mijn installatie laat ik de beelden op twee verschillende manieren elkaar opvolgen. Enerzijds is het volgende een associatie op de inhoud van het eerdere beeld. De stappen zijn voor de kijker relatief gemakkelijk te volgen en na een tijdje begin je de beeldenstroom dan ook te begrijpen. Hier tegenover zet ik grote sprongen waarbij ik beelden toon die werkelijk niets met elkaar te maken hebben. Hiermee hoop ik de kijker wakker te schudden. Wat doet dat beeld opeens hier? Wat heeft het te maken met de andere beelden? De associatieve stroom wordt onderbroken, maar omdat de kijker de andere beelden wel kan plaatsen, gaat deze toch actief op zoek naar de, vaak onbestaande, link tussen de beelden.

Ongeacht hoe je prikkels tot je neemt, over het algemeen is het lichaam passief. Hoogstens vliegen je vingers over een toetsenbord, maar verder zit je stil. Door de kijker midden in de installatie te zetten, ontstaat er een paradox. Zodra je gefocust bent op het beeldscherm voor je, hoor je achter je iets nieuws beginnen. Op dat moment sta je voor een keuze. Ben je zo gefascineerd door hetgeen voor je dat je daar naar blijft kijken? Of geef je toe aan alle nieuwe prikkels die aan je aandacht trekken? In plaats van passief alles tot zich te nemen, wordt de kijker uitgedaagd om actief mee te gaan draaien in de door mij gecreëerde beeldenstorm.

Bijwijze van een proefopstelling had ik mijn tv’s in simpele stellingkasten gezet. Na hier enkele weken mee gewerkt te hebben, besloot ik om zelf kasten op maat te bouwen waarin mijn tv’s precies pasten. Daarnaast heb ik een podium gebouwd van 80x80 cm waar de kijker op komt te staan. Door dit te doen is het duidelijk voor de bezoeker dat de installatie niet met teveel mensen tegelijkertijd dient bekeken te worden omdat men anders voor de beeldschermen gaat staan. De nieuwe kasten zijn, inclusief de tv’s, bijna 2,5m hoog. Dit zorgt voor een overweldigend gevoel als je binnenloopt. De beeldschermen torenen boven je uit en zorgen voor iets massiefs. De installatie wordt hierdoor meer dan enkel tv’s en kasten. Het wordt een object, bijna een sculptuur.




Ik vuur zoveel prikkels af op de kijker dat het onmogelijk is om alles te zien. Iedereen zal zijn eigen weg moeten vinden. Je wordt volledig ondergedompeld in de beelden waardoor er in je hoofd nauwelijks nog plek is voor andere gedachten. De installatie is voor heel even jouw volledige belevingswereld. Niet enkel je hoofd wordt ‘aangevallen’, maar heel je lichaam, van onder tot boven, van voor tot achter, wordt blootgesteld aan de beelden. Ik probeer als een componist te werk te gaan en bouw een symfonie met filmpjes die ik op YouTube vind.

Toch kon ik mijn initiële frustraties niet zomaar over boord zetten. Ik besloot, gezien het gros van mijn prikkels uit mijn laptop voort kwamen, mijn computergedrag onder de loep te nemen. Één van de grote voordelen van deze digitaal georiënteerde wereld is dat voor alles wel een app of site is bedacht. Zo ook voor het bijhouden van je computergedrag. Na enkele maanden informatie verzamelt te hebben, kon RescueTime mij precies vertellen dat ik per maand gemiddeld 14 uur aan Facebook spendeerde, 4,5 uur aan YouTube en zo’n 20 uur aan overige programma’s op mijn laptop. Ondanks mijn hernieuwde liefde voor het internet vereiste mijn Facebook-highscore (drie uur op één dag) toch een moment van reflectie. Wat had ik in godsnaam gedaan in die drie uur? Welnu, dat zal ik uitleggen. Ik start met gedachteloos door mijn tijdlijn scrollen en bekijk één simpele foto van de nieuwe schoenen van een vriendin. Ik klik. Klik nog een paar keer en voordat ik het weet, ontwaak ik twintig minuten later uit een trance en zit ik op een site waarvan ik geen idee meer heb hoe ik er precies ben gekomen. Ik proef de bittere smaak van schuldgevoel en besluit snel iets nuttigs te gaan doen. Maar niet voordat ik Facebook heb gerefreshed. Misschien heeft iemand mij wel nodig gehad in de tussentijd..

Niemand wordt lid van Facebook om zich eenzaam te voelen. Maar uit onderzoek van Ethan Kross, blijkt dat Facebook ons wel deze gevoelens geeft. In een experiment smsten Kross en zijn collega’s vijf keer per dag naar 82 proefpersonen waarin ze vragen stelden over hoe ze zich voelden, of ze eenzaam waren, hoeveel ze Facebook hadden gebruikt sinds de vorige sms en of ze ondertussen ook face to face contact hadden gehad met anderen. De uitkomst was simpel: hoe meer mensen Facebook hadden gebruikt tussen de smsjes door, hoe slechter ze zich meestal voelden27. Iets te zwart-wit gedacht volgens wetenschappers van Carnegie Mellon Universiteit. Deze groep voerde meerdere experimenten uit en kwam er achter dat zolang we actief deelnemen aan bijvoorbeeld discussies op Facebook, foto’s liken en zelf dingen posten, we het gevoel hebben verbonden te zijn met anderen en ons positief voelden. Wanneer we echter passief alleen informatie tot ons namen zonder er zelf iets mee te doen, werden gevoelens van eenzaamheid en afstandelijkheid vergroot28. Persoonlijk ben ik het slechts gedeeltelijk eens met de conclusies. Ik voel me niet eenzaam als ik zelf niks ‘geef’ aan Facebook en slechts consumeer. Ik ben het zo gewend geraakt om immense hoeveelheden informatie tot me te nemen, dat ik het automatisch op zoek als ik internet opstart. Tegelijkertijd is het zoveel informatie dat mijn hersenen zich af lijken te sluiten. Zodra ik gedachteloos door alle posts scroll, zak ik weg in een soort trance. Ik zie foto’s en lees posts maar niets blijft hangen. Achteraf heb ik werkelijk geen idee wat ik heb gezien.

 

NARCISTISCH

Onlangs betrapte ik mezelf erop dat ik op Facebook door mijn eigen foto’s zat te bladeren. Nu kan ik zeggen dat dit puur was om herinneringen te herleven, maar ik besefte ook dat ik anderen in de foto’s voornamelijk negeerde en ik vooral bekeek hoe ikzelf op de foto stond. Dit bracht mij tot overpeinzingen over hoe narcistisch we zijn geworden dankzij sociale media. Narcisme is van alle tijden. Maar waar we het vroeger slechts accepteerden van beroemdheden, doet nu iedereen naar hartenlust mee. Het is simpelweg leuk om (de beste kant van) jezelf tentoon te stellen. Het is daarentegen minder interessant om alle egocentrische ruis van anderen aan te moeten zien. Toch krijgen steeds meer mensen het gevoel buitengesloten te worden van de samenleving, als ze niet constant kunnen zien wat anderen aan het doen zijn. Ook hier is een labeltje voor bedacht: FOMO (Fear of Missing Out). Dit fenomeen is uit te leggen door het feit dat de mens een kuddedier is. Constant zijn we gefocust op onze omgeving. Vindt één iemand iets leuk, dan triggert dat iets bij de ander. We steken elkaar letterlijk aan met onze reactie. Iedereen wil bijblijven en we worden bang iets te missen. Wat gebeurt er als wij niet als eerste het laatste nieuws horen? Dan begrijpen we het gesprek niet meer en vallen we buiten de groep. Ondanks dat dit voornamelijk geestelijke processen zijn, reageert het lichaam hier sterk op. Symptomen zijn lusteloosheid, onrust, concentratiegebrek en zelfs slapeloosheid.29

FACEBOOKBEAM

Ik wilde mijn eigen narcisme in beeld brengen en besloot dit redelijk letterlijk aan te pakken door mijn facebookfoto’s over mezelf heen te projecteren. Dit levert een dubbele laag op. Je ziet mij als fysiek persoon zitten, maar tegelijkertijd flitsen er op de achtergrond allerlei foto’s van mezelf langs. Ik bekijk hoe ik mezelf online etaleer, maar etaleer mezelf wederom door dit te filmen en te tonen aan de buitenwereld. Ik voel me op dat moment ongelofelijk zelfbewust. Zit ik wel recht op? Heb ik geen onderkin? Soms zie je me wegzakken in hetgeen wat de laptop me toont en vergeet ik eindelijk even mijn uiterlijk. Waarom bekijk ik die foto’s van mezelf? Ben ik narcistisch? Of ben ik bevangen door een nostalgisch gevoel en kijk ik terug naar mooie momenten in mijn leven?

De wijze waarop mijn hoofd zorgt voor een zwart gat in de achtergrond vind ik simpelweg mooi. Door fysiek aanwezig te zijn, verander ik de eerder gemaakte foto’s. Ik kan het niet precies uitleggen waarom, maar ik vind het een bizar beeld dat ik zowel op de voorgrond als op de achtergrond ben. Dit is echter niet de beste manier om het te tonen. Het experiment voelt nogal oppervlakkig aan. Het is mijn eerste ingeving die ik had bij het onderwerp ‘narcisme’ en ik heb ‘t niet verder uitgediept. Het verloor mijn interesse redelijk snel. Nu terugkijkend krijg ik ideeën om een ruimte te bouwen met ontelbare, onzichtbare camera’s waar de kijker constant met zichzelf wordt geconfronteerd. Er zijn veel filmpjes in de omloop met hoe je jezelf het mooiste op de foto kan zetten. Misschien kan ik dit commentaar als audio afspelen en kijken of de kijker dit opvolgt, zich ongemakkelijk voelt en onderzoeken hoelang ze in de ruimte blijven etc.

Bij wijze van een experiment besloot ik een weekend offline te gaan en eerlijk gezegd, ik had er zin in. 48 uur tegen de gevestigde maatschappij in gaan. Ik voelde me de koning te rijk toen ik onvoorbereid naar de trein fietste. Geen idee hoe laat deze vertrok. Ik was vrij. Ik leefde in het moment. Ik stond, zo hield ik mezelf in ieder geval voor, boven iedereen die wèl een smartphone nodig had. De uren tikten weg zonder grote gebeurtenissen. Ik las een boek. Ik keek tv. Maakte een wandelingetje door de stad. Natuurlijk voelde ik me soms even alleen als anderen om me heen verdiept waren in hun digitale wereld. Ik onderdrukte de drang hun te wijzen op het feit dat ze me buitensloten en hield braaf mijn mond. Wetende dat ik normaal gesproken hetzelfde gedrag zou vertonen.

De echte schok kwam pas toen ik terug online ging. Aangezien ik nauwelijks iemand op de hoogte had gesteld van mijn digitale detox, had ik toch gehoopt dat er op zijn minst iemand me had gemist. Niets bleek minder waar. Van de zeven mails die binnen waren gekomen waren er drie spam en de overige nieuwsbrieven. Geen whatsapp, geen sms. Afgezien van één jolig telefoongesprek met mijn moeder die zich afvroeg of ik nog geen zelfmoord had gepleegd zonder internet, had niemand me in paniek op gebeld. Op Facebook was het wel druk geweest. 23 notificaties. Waarvan er welgeteld twee persoonlijk aan mij gericht waren. Niemand, werkelijk niemand, had mij gemist. Alle prikkels waar ik zoveel last van had gehad, kwamen niet ongevraagd op me af. Blijkbaar zocht ik ze zelf op. Met mijn ego flink gebutst, besloot ik mijn digitale vrienden er maar niet op te wijzen dat ze het twee dagen ongemerkt zonder me hadden moeten doen.

Louis C.K. te gast bij Conan O’Brien

De comedian Louis C.K. reageert op het feit dat in Amerika bijna ieder kind wel een mobieltje heeft. Een heerlijk onderwerp om over te discussiëren, maar het onderwerp wat hij daarna aansnijdt, vind ik vele malen interessanter. Zoals ik al eerder zei lijkt eenzaamheid onmogelijk als al je vrienden slechts een smsje van je verwijderd zijn. Continue zijn we op zoek naar manieren om het ‘alleen zijn’ te ontduiken. We verdwijnen in de digitale wereld in plaats van even niets te doen en simpelweg ‘te zijn’. We mogen niet meer stil staan. Ieder moment grijpen we aan om nog even een mailtje te sturen, te sms’en of Facebook te checken. Waarom de Amerikanen constant lachen bij zo’n serieus onderwerp is me onduidelijk en irriteert me mateloos.

Dit liet me nadenken over het veel besproken feit dat er nauwelijks negatieve dingen op Facebook worden gezet. We etaleren ons zoals ons dat het beste uitkomt. Ikzelf schrijf ook alleen maar over de betere gebeurtenissen in mijn leven en tag mezelf alleen op foto’s waarin ik mooier lijk dan ik eigenlijk ben. Als we dan écht een digitaal leven willen gaan leiden, waarom delen we dan niet alles? Waarom delen we niet de slechte momenten in ons leven (en dan doel ik niet op funeralselfies )? Waar blijven onze lelijke foto’s dan? Waar zijn de statusupdates waarin we ons eigenlijk nogal kut voelen en futloos op de bank tv liggen te kijken? Iets in ons houdt ons tegen. Ik vraag me af of dit puur en alleen te maken heeft met het feit dat we ons perfecte digitale zelfbeeld hoog moeten houden, of dat we op die momenten juist ons laatste restje privacy behouden.

Uit zich daar juist ons diepgewortelde gevoel dat we problemen binnenshuis moeten houden? Wanneer iemand het wel waagt om een ‘zeur-post’ online te zetten, irriteer ik me direct. Niet uit algehele desinteresse jegens de ander, maar ik vraag me simpelweg af waarom ik in godsnaam zou moeten weten als iemand een lekke band heeft. Zelfs wanneer er geschreven wordt over serieuzere zaken als bijvoorbeeld de sterfdag van een moeder heb ik het gevoel dat diegene slechts op zoek is naar aandacht. En aandacht, of een schijnversie hiervan, is iets wat het internet ons kan geven. Met gemak leveren de meest stompzinnige statusupdates toch zeker een handvol likes op. Dit geeft ons een goed gevoel. Iemand heeft, al is het maar voor heel even, aan je gedacht. Iemand heeft je post gelezen en vond het blijkbaar nog leuk of interessant ook. Steeds meer linken we ons gevoel van eigenwaarde aan de hoeveelheid likes die we krijgen en dat is een vreselijke trend. Iets posten op internet is een indirecte, veilige manier van jezelf uiten. Op het internet lijkt het alsof er altijd wel iemand naar je luistert. De meest nutteloze bezigheden worden op Facebook even belangrijk als je speciaalste levensmomenten.

 

IRONISCH ZELFBEHOUD

Terwijl ik het Facebookgedrag van mij en mijn vele Facebook-vrienden onder de loep nam, viel me nog iets op: ironie. De taal van de hipsters volgens Christy Wampole, assistent professor aan de Universiteit in Princeton31. Overal om ons heen manifesteert het zich en ik doe er graag aan mee. Maar waarom?

Ironie is de beste zelfbescherming die je kan inzetten. Geen enkele aanval of kritiek werkt nog, als je jezelf al hebt aangevallen en veroverd. Het is een buffer, een uitvlucht. Dus wat is er gebeurd met mij, een oer-Hollandse meid, dat directheid ondraaglijk is geworden? Ligt de fout wederom bij het internet? Is het omdat ik, als verfent internetgebruiker sinds 2004, gewend ben geraakt aan indirect contact met mensen en hierdoor niet meer oprecht kan zeggen wat ik denk? Relaties tussen mensen onderling zijn veeleisend en rommelig. Door een laptop of telefoon tussen ons en de ander in te plaatsen, ontstaat er de mogelijkheid iets langer na te denken over ons antwoord. Om dingen te wissen, of aan te passen. We retoucheren ons beeld naar de buitenwereld. We kunnen overkomen zoals we willen32. Of ligt de fout juist bij de maatschappij? Ben ik zo bang geraakt van de prestatiedruk dat ik mezelf maar vast onderuit haal, voordat anderen het doen? Of kan ik niemand anders de schuld geven behalve mijzelf? En ben ik simpelweg te laf om mijn echte gevoelens en ideeën nog te tonen?

Een mooi voorbeeld: een vriendin van me is jarig en ik wil haar feliciteren op Facebook. Nu kan ik er uiteraard voor kiezen haar te vertellen dat ik serieus hoop dat ze nog vele jaren leeft in goede gezondheid, haar wil bedanken voor alle momenten dat ze er voor me is geweest en dat ik oprecht veel van haar hou. Maar, het is Facebook.. Iedereen leest dit en op deze manier geef ik mezelf wel erg bloot.. Ik zie de ‘get a room!-comments’ al voor me. Daarnaast, wat nu als mijn openhartige liefdesverklaring geen of slechts een paar likes krijgt? Dan zou ik me gekwetst voelen. Dus wat doe ik? Ik zoek op YouTube een bizar filmpje van dansende bejaarden met rollators en typ iets in de trant van: ‘Gefeliciteerd kutje. Ondanks dat je nu echt oud bent, hou ik nog steeds van je.’

"Natúúrlijk vind ik bio-industrie zielig. Ik zou met alle liefde biologisch voedsel willen kopen, als het niet zo verdomde duur was."

Zonder dat ik ervoor wil pleiten dat vroeger alles beter was, lijkt het alsof de generaties voor ons, juist alles open gooiden. Feminisme, rassenverschillen, ecologische problemen, overal werd openlijk voor gevochten en aandacht aan besteed. De dingen die men zei, daar stond men achter en daar moest je het mee doen. Iedereen leek hoopvol in de jaren ’90. Maar hoop is gevaarlijk. Hoop maakt je kwetsbaar, vindt Christy Wampole. Volgens haar heeft iedere generatie zijn eigen afweermechanisme. Waar mijn generatie dit met ironie doet, deden onze voorgangers het met apathie. Want je kan niet gekwetst worden door de dingen waar je niet om geeft. Mijn generatie heeft in zekere zin wel idealen, maar we geven er net niet voldoende om, om er echt iets aan te doen. Waar eerdere generaties de barricades beklommen, daar blijft het bij mijn generatie vaak bij loze woorden. Natúúrlijk vind ik bio-industrie zielig. Ik zou met alle liefde biologisch voedsel willen kopen, als het niet zo verdomde duur was. En uiteraard weet ik dat digitale cookies mijn privacy in gevaar brengen, maar het maakt het surfen zoveel gemakkelijker. Ik besef hoe vreselijk dit allemaal klinkt. En ergens veracht ik mezelf hiervoor. Precies op dat moment, start ik onbewust mijn ironische zelfbescherming. Omdat ik wil dat mensen weten dat ik weldegelijk nadenk over de consequenties van mijn keuzes, dek ik mezelf in. Waarom ik daarentegen niet iets doe aan deze consequenties, is een innerlijke tweestrijd waarvan ik hoop dat niemand er vragen over zal stellen.

REGIEKEUZES

Inmiddels heb ik vele versies gemaakt van mijn montage voor de installatie. Iedere montage is net iets beter, net iets scherper. De associaties probeer ik zo breed mogelijk te houden. Hiermee bedoel ik dat ik veel verschillende soorten beelden laat zien. In de installatie zit bijvoorbeeld een gedeelte over het thema ‘oorlog’. Hier toon ik ‘echte’ beelden die gefilmd zijn door extremisten in Israël, het journaal, een videoclip waarin een opstand in scène is gezet, maar ook een oorlogsspelletje op de computer. Ik hoop dat de kijker dit brede scala herkent en kan identificeren als realistisch of fictief. Tegelijkertijd voelt het grof om een echte moord naast iemand te zetten die voor zijn lol mensen neerschiet op zijn computer. Deze harde beeldcombinaties zijn cru en laat ik enkele keren terugkomen in de beeldenstroom. Zodra er een serieus onderwerp wordt aangesneden, schop ik het onderuit met stompzinnige filmpjes. Ik zet huilende kankerpatiënten naast hakkende gabbers en naakte napalmslachtoffers naast modellen in bikini. Ik onderbreek hartverscheurende beelden van verbrande monniken om naar een lullig filmpje van een kat te kijken die keyboard speelt.



Porno heeft in de latere versies van mijn montage ook een plekje veroverd. Enerzijds omdat het een beduidend grote rol op het internet speelt. Anderzijds moet ik toegeven dat ik het erin verwerk om te kijken hoe de kijker hiermee omgaat. Na het een paar keer getoond te hebben aan verschillende toeschouwers, werd duidelijk dat ze het vervelend vinden om naar te kijken. Porno hoor je niet zo groot en ‘en plein public’ te bekijken. Het is privé. Niet iets wat je wilt zien als iemand anders erbij is. Het feit dat een naakte vrouw zo’n ongemakkelijk gevoel oproept, terwijl men niets zegt over het paard dat vermoord wordt, vind ik bizar. Het snijdt een soort ethische kwestie aan. Daarnaast heeft het iets ironisch. Het moment dat het schaars geklede meisje in beeld verschijnt vraagt de man in het gesprek aan zijn vriendin of ze al iets van een vriend heeft gehoord. Het zijn combinaties die iets zeggen over het leven waar we nu in zitten. Tegenwoordig kan je meerdere dingen tegelijkertijd beleven. Je kijkt porno én kletst met je vriendin. Het toont op ironische manier de komische tragiek van de digitale cultuur.

Tegelijkertijd werd ik gewezen op het feit dat ik mijn installatie begin met beelden die je voornamelijk op tv ziet, terwijl mijn project juist over het internet gaat. Dit heb ik aangepast door het tweede beeld dat aanspringt een webcam te maken waardoor de toon duidelijker wordt gezet. Ik probeer op sommige plekken in mijn montage duidelijker de regie te nemen zodat de kijker niet het gevoel heeft dat hij puur naar random beelden staat te kijken. Dit doe ik door bepaalde cuts op hetzelfde moment te laten plaats vinden, opeens alles stop te zetten en slechts één beeld af te laten spelen of juist 4 praktisch dezelfde beelden in één toren te tonen. Toch voelt de montage nog niet af. Ik wil voor de uiteindelijke versie toch de installatie meer als een symfonie beschouwen waarbij ik voornamelijk in het laatste gedeelte de beelden ‘in de maat’ start en zo toe werken naar een climax.

Toch zijn er in de wereld nog voldoende groepen die zich zonder ironie uiten. Denk aan fundamentalisten, dictators, politici, gelovigen, kleine kinderen of geestelijk gehandicapten. Ondanks dat ze ver uit elkaar liggen, hebben ze één ding gemeen. Ze geloven allemaal zo ongelofelijk in ofwel zichzelf ofwel een hgere macht, dat ze niet nadenken over de eventuele reacties op hun standpunt. Ze zijn volledig overtuigd van hun ultieme waarheid waardoor er geen ruimte is voor ironie.

Dus waarom stop ik niet simpelweg met ironie? Waarom neem ik de stap niet om oprecht door het leven te gaan? Het antwoord is een paradox. Zoals eerder uitgelegd, durf ik eerlijk gezegd niet. Anderzijds, vind ik ironie (oprecht) grappig. Ik ben jaloers op anderen die nog ironischer kunnen zijn en ik gniffel graag bij het wekelijkse ‘ongevraagde maar gratis stijladvies’ van Cécile Narinx en Arno Kantelberg waar de ironie van af druipt. Is het beste niet, zoals met bijna alle dingen in het leven, de gulden middenweg te vinden?

 

CONCLUSIE

Dankzij het internet weet ik dingen waar ik anders nooit over had durven dromen, maar tegelijkertijd zorgt het ervoor dat ik de mooie dingen mis die recht voor mijn neus gebeuren. Op straat hoef ik niemand meer om hulp te vragen, mijn telefoon weet het beter. Ik ben individualistischer geworden en zal minder snel een praatje aanknopen met vreemden. Wel is mijn leven sneller en gemakkelijker geworden. Via Facebook en Skype sta ik in verbinding met mijn vrienden over heel de wereld, maar tegelijkertijd verdoe ik mijn tijd door mijn leven met die van hen te vergelijken.

Het is gemakkelijk om internet de schuld te geven van dit alles. Maar de werkelijke schuld ligt bij ons, de gebruiker. Internet werd in het leven geroepen zodat iedereen ter wereld gemakkelijk toegang kreeg tot de meest uiteenlopende informatie. Ondanks dat we allemaal individueel achter onze laptop zitten, komen we online samen tot één grote cyberbevolking. Tezamen bouwen we, iedere dag weer, aan die constant uitbreidende informatiebron. Een romantische gedachte, maar er zit een nadeel aan vast. Doordat iedereen toegang heeft tot het internet is er veel overbodige ruis ontstaan, waar je iedere keer doorheen moet om bij je doel uit te komen. Soms is die ruis heerlijk en vind je pareltjes waarvan je niet had durven dromen dat ze bestonden. Veel vaker blijkt het helaas pure afleiding te zijn.

DOEL INSTALLATIE

De meeste mensen die tot nu toe in mijn installatie hebben gestaan, weten slecht hun gevoel te beschrijven. Ze zijn overladen met beeld. Ze hebben gelachen, nieuwe dingen gezien maar tegelijkertijd voelen ze zich niet volledig voldaan. Er wringt iets. Op sommige momenten voelt het als een kermisattractie met kleurige beelden die om je heen flitsen. Daar tegenover staan nare combinaties die je aanzetten tot denken of zelfs afstoten. Terwijl je iemand zelfmoord ziet plegen, vraagt een stem doodleuk of er nog goede films draaien die avond. Volledig verbrandde slachtoffers worden onderbroken door een stompzinnig filmpje van een kat waar je nog om moet lachen ook. Ik hoop dat mensen beseffen dat zij dit gedrag, wat in mijn installatie als cru of gevoelloos kan worden ervaren, waarschijnlijk zelf ook vertonen. Dat ze met gemak de vreselijkste beelden uit Syrië bekijken en daarna verder zappen naar een sitcom zonder te realiseren wat voor bizarre overgang dit is. Dat sommigen van hen zijn afgestompt door de niet aflatende beeldenstroom.

Het is onmogelijk om alle beelden te zien in mijn installatie. Er zijn teveel prikkels, teveel geluiden. De kijker zoekt zijn eigen weg, maakt zijn eigen keuzes en laat tegelijkertijd zijn eigen associaties los op mijn beelden. Zo zie je bijvoorbeeld een vierkante watermeloen groeien in een kooi. Daarnaast zie je een kleuter die op z’n kop hangt in zo’n zelfde soort kooi. Een meloen wordt kapot geknepen tussen de gespierde benen van een bodybuilder. Tegelijkertijd zie je op een ander scherm een meloen tot bloem gesneden worden en daarnaast een oog wat met een mes wordt bewerkt. Opeens hoor je een baby huilen. Waar huilt hij? Bang van de bodybuilder? Of wilt hij meespelen met de kleuter? Geschrokken van het oog? Er zijn duizenden verhalen te maken met de beelden die ik geef.

De overdaad is irritant, maar tegelijkertijd hebben al die kleuren en beelden iets esthetisch. Het wordt meer, sneller, harder en feller. Alles bouwt op naar een finale en daar eenmaal aangekomen is het alsof iemand plotseling de stekker eruit trekt. Je wordt terug gegooid naar de werkelijkheid. Het gesprek tussen het koppel waar het verhaal mee begon, was je allang vergeten en opeens is het daar weer. Was het constant aanwezig? Zat je gewoon niet op te letten en was je afgeleid door de beelden? Er wordt afscheid genomen in het gesprek en ook jij kan weg. Terwijl je weer het licht in loopt van de expositie, tolt je hoofd nog van de beelden. Het voelt als een anticlimax. Je bent niet helemaal voldaan. Dit klinkt in eerste instantie negatief, maar ik zie het juist als iets goeds. Het betekent dat het je bezig zal houden. Na een tijdje, als de storm ook in je hoofd is gaan liggen, hoop ik dat je zult nadenken over jouw eigen omgang met de beeldenstorm. Hoe je zelf constant bezig bent met meerdere beeldschermen. Hoe je misschien zelfs verslaafd bent geraakt aan deze dingen. Mijn installatie overschreeuwt zijn eigen kern. Ik ga in mijn werk uit van het prikkelbombardement waar praktisch iedereen aan gewend is geraakt. Iets wat vanzelfsprekend is geworden voor velen. Door deze tot in het extreme te trekken, hoop ik dat het kritische vragen op zal roepen. Tegelijkertijd wil ik antwoorden geven in de vorm van een essay. Dit is een ingedikte versie van deze scriptie die ik gratis meegeef aan de bezoekers. Hiermee hoop ik degenen die geïnteresseerd zijn geraakt in mijn onderwerp verdieping te verschaffen.

Na mijn volledige onderzoek naar de prikkelcultuur merk ik dat mijn standpunt meerdere malen is verschoven. Van desinteresse naar irritatie. Van irritatie naar acceptatie en later misschien zelfs naar ontzag. Nog steeds voel ik regelmatig lichte ergernis maar ik besef inmiddels dat dit aan mezelf ligt. Ik ben degene die de prikkels opzoekt en kan net zo makkelijk de keuze maken om mijn laptop dicht te klappen of mijn telefoon uit te zetten. Mijn ontzag ontwikkelde zich zodra ik merkte hoe omvangrijk het internet was, hoeveel ik hiervan geleerd heb en dat het iets is waar iedereen ter wereld samen aan werkt. In mijn installatie heb ik zowel de irritatie als het ontzag proberen te verwerken. Ik overlaad de kijker met hinderlijke geluiden, flitsende beeldschermen en soms vieze beelden. Daar tegenover toon ik wat mij zo aantrekt in het internet. Door de omvangrijkheid van het internet is er voor ieder wat wils. Het bizarre, het serieuze, het mooie en het nare komen samen tot één wirwar aan beelden die dit afgelopen jaar mijn grootste inspiratiebron is geweest.

Ik zag het internet als iets waarover ik de macht had. Een plek waar ik als een god kan beslissen naar wat ik kijk en wanneer ik dit bekijk. Deze gedachte werd gesterkt door het feit dat alles op mij wordt aangepast. De reclame die ik zie, past bij mijn koopgedrag en mijn aanbevolen video’s sluiten aan op mijn interesses. Maar ik had kunnen weten dat de echte macht elders lag. Ook internet heeft machthebbers en deze staan te springen om mijn gegevens. Ondanks dat ons de indruk wordt gewekt dat zoekmachines neutraal zijn, wordt ons surfgedrag gestuurd door Google. Zodra ze denken te weten waar onze voorkeur ligt, worden sommige sites simpelweg niet meer weergegeven34. Hierdoor draaien we, zonder het te weten, in een klein kringetje rond en wordt het moeilijk hier buiten te kijken.

Één ding is zeker: het internet zal niet meer verdwijnen uit ons leven, dus laten we niet te lang stil staan bij hoe het er uit zou zien zonder. Wat belangrijker is, is de manier waarop we omgaan met al deze nieuwe ontwikkelingen. De fout ligt niet bij de computer. Deze maakt geen fouten. Zoals wel vaker, is het probleem te vinden bij de mens. Internet was slechts het hulpmiddel dat wij hebben aangegrepen om ons leven gemakkelijker te maken. We moeten een evenwicht vinden tussen gemak en veiligheid en ons niet verliezen in de verleidelijke dieptes van het internet. Daarnaast denk ik niet dat ooit iemand op zijn sterfbed dacht “Jeetje, had ik maar meer tijd met mijn computer doorgebracht!” Laten we dat zo houden.

 

 

 

 

© 2014. Alle rechten voorbehouden. Tekst & beeld: Jacklyn Cornelisse | Vormgeving: Tim Meijer